KE-MRui

Van Spilbeeck – voormalige pasteibakkerij – Antwerpen

Goed bewaarde winkels

Minderbroedersrui 7 – 2000 Antwerpen

Gevel in 1880

Gevel in 1880

De gevel werd in 1919 verbouwd. Dit is een foto van 1923 toen het huisnummer van 9 naar 7 veranderde.

De gevel werd in 1919 verbouwd. Dit is een foto van 1923 toen het huisnummer van 9 naar 7 veranderde.

Eén van de oudste winkelinterieurs van Antwerpen
In dit pand was Pasteibakkerij Van Spilbeeck gevestigd. De zaak werd gesticht in 1828. Aanvankelijk was ze gevestigd in de Koepoortstraat, maar vanaf 1847 hier op de Minderbroedersrui. Het huidige interieur van de winkel dateert wellicht van 1879. De huidige etalage dateert van rond 1919. Dat betekent dat het interieur één van de oudste van Antwerpen is dat we vandaag kennen.
In 1924 nam Willem Pauli de zaak over van Van Spilbeeck, maar Pauli en zijn echtgenote werkten hier al sinds 1913. De naam van de zaak bleef Van Spilbeeck en ze zullen de winkel altijd huren tot ongeveer 1962. De band tussen de twee families was heel hecht. De familie Van Spilbeeck was erg genereus. Met feestdagen kregen de kinderen van Pauli elk een mooi cadeau en tijdens de oorlog moesten ze geen huur betalen.
Van Spilbeeck was bekend voor fijne patisserie, speculoos en marsepein en had klanten over de hele wereld. Ze leverden zeer dikwijls gebak voor feesten en hadden een enorme keuze. Tijdens de tweede oorlog beschadigde een bom de bakkerij en daarna zou er niet meer gebakken worden. De winkel verkocht daarna nog wel brood, maar dat kwam van een bakkerij in de Koepoortstraat. Nu was de specialiteit meer confiserie.
Willem Pauli, de laatste bakker van de Minderbroedersrui, is in 1966 gestorven in een rusthuis. Zijn zoon, Toon, leerde ook het bakkersvak, maar volgde een andere loopbaan. Toen Pauli de bakkerij/confiserie begin jaren ’60 sloot, heeft hij zijn bakkersmateriaal aan het Volkskundemuseum (nu het Mas) geschonken. De achterkleindochter van Willem Pauli heeft nu zelf ook een bakkerij in de Oude Beurs, samen met een Van Helmont (nog een bekende bakkersfamilie in Antwerpen).
Electriciteitswinkel Gebruers die al langer winkel hield op nummer 5, kocht dit pand in 1971 en maakte achteraan een opening tussen de twee huizen. Hij behield het interieur en gebruikte de voormalige bakkerswinkel meer als toonzaal voor lusters. Hij ging met pensioen zo’n 15 jaar geleden en sindsdien stond de winkel leeg.
Of de houten kasten in de winkel van bij aanvang geschilderd waren, is niet zeker, maar bakkersinterieurs werden vaak van een verflaag voorzien omwille van de hygiëne. Van de spiegels waren er een paar verdwenen of in te slechte staat en werden vervangen. Helaas zijn de toonbanken verdwenen, de oorspronkelijke exemplaren waren van hout met wit marmeren blad. De twee ladders zijn origineel.
De vloer bestond uit witte marmeren tegels, maar naar verluidt waren die in slechte staat en ontbraken er stukken. Toch is het jammer dat niet geopteerd werd voor een herstelling. Ook was het beter geweest om het originele plafond te behouden. De originele verlichting bestaat nog wel (opaal glazen lampenkapjes).
Achteraan bevindt zich een gietijzeren trap die naar de bakkerskeuken op de 1e verdieping leidde. Beneden was er tot vorig jaar een oven waarop de datum 1850 gegraveerd was, maar het metaal ervan was volledig verpulverd en kon niet bewaard blijven. Dat komt wellicht omdat het jarenlang binnenregende tijdens de oorlog. Op het gelijkvloers bevond zich eveneens een enorm arduinen blad waarop het brood gekneed werd.
Dit interieur vol geschiedenis staat momenteel te koop samen met het achterhuis en wacht op een nieuwe invulling. 25 juni 2016

Enkele anecdotes die we kregen van Koen Pauli, geschreven door diens vader (Toon) over de periode dat zijn vader dan weer (Willem Pauli) bakker was op de Minderbroedersrui:
20160616134515317

“Mijn vader Willem Pauli was pasteibakker en kok. Hij leerde zijn vak in Nederland, België en Zwitserland, om via Amsterdam uiteindelijk in Antwerpen zijn beroep uit te oefenen. Désiré Van Spilbeeck had een patisserie op de Minderbroedersrui in Antwerpen – zijn voorzaten begonnen in 1828 – en nam Willem Pauli in dienst. Zelf ging Van Spilbeeck, nog geen 30 jaar oud, in 1913 ‘op pensioen’.”
“Leonie Verschelden begon als winkeljuffer in dezelfde patisserie Van Spilbeeck. Wat dan gebeurde is normaal. Willem Pauli en Leonie Verschelden werden een koppel, namen de patisserie Van Spilbeeck over en huwden in Antwerpen in 1913.”
“ De patisserie was niet enkel een gewone winkel met taartjes op de toog om mee te nemen, maar beschikte over een uitgebreid cliënteel dat enkel specialiteiten wenste die aan huis geleverd werden. De ijskreem, de speculoos en de marsepein waren over de hele wereld gekend en werden rond de Sinterklaas- of Kersttijd tot naar Nieuw Zeeland verzonden. Mijn vader, Willem Pauli, had voor de marsepein een eigen recept. Enkel amandelen met een verhouding suiker, veelvuldig geplet en dan in een grote koperen ketel op het vuur gekookt waar bestendig moest in geroerd worden: een reuzenwerk, het zweet liep uit je broekspijpen, en dan ging de brij in bruine stenen potten. Twee maanden later, vanaf begin december, werd de brij verwerkt in vormen.”

“De meiden regeerden in de keuken, in het achterhuis op de eerste verdieping. Slapen deden ze een verdieping hoger. De verbinding tussen boven en beneden was een zwarte ijzeren trap. Beneden kwam die trap uit in de gang naast de bakkerij waar de zoetigheden geplaatst werden voor ze naar de winkel verdwenen of ingepakt werden in de toen zo typische metalen ronde dozen.”
“Ook sommige meiden lustten wel eens een zoetje, daalden dan stiekem de trap af, namen zich een taartje en verdwenen vliegensvlug terug naar hun keuken. Vaders oog zag alles, ook dat. Op de onderste treden van de trap werd een deegrol gelegd en toen één van de meiden op kousenvoeten de trap afdaalde en op die deegrol trapte, ging zij met heel veel gekrijs onderuit. Er zat wel wat risico in en een tweede remedie was beter. Een taartje op de hoek van de plaat werd de crème vol gestopt met rode kleurstof, normaal gebruikt als kleureffect in ijskreem. De meid werd ‘bijna’ gesnapt, dus stopte zij het taartje vlug in haar mond en slikte snel door. Enkele uren later kwam een ontredderde meid aan moeder vragen of zij naar de dokter mocht. Haar mond was vol bloed, haar speeksel zag vuurrood en ook de urine had dezelfde kleur. De huisdokter Dr. De Herdt van de Mutsaertstraat werd verwittigd. Iedereen deed nadien gewoon, maar de taartjes verdwenen niet meer.”

bakkersgasten

“De bakkersgasten kwamen meestal uit Melsele of Beveren. Zij kwamen met de Sint-Annekesboot, gingen over de Grote Markt en liepen zo door naar de Minderbroedersrui. Op de Grote Markt stond er elke morgen een kraampje met Brusselse kaas. De kaas moest al wat ‘voos’ zijn om nog beter te smaken, maar de reuk was meestal niet te harden. In de bakkerij was er een ‘ijskast’ , een grote kast met tussenschotten waarin elke morgen verse blokken ijs gelegd werden. Die kaas mocht daar natuurlijk niet in. Hij mocht enkel in de gang maar ook daar verspreidde hij zijn parfum door het hele huis.
Een zwaar ongeval met één van de gasten herinner ik mij ook nog goed. Hij moest een taart wegbrengen. Op de hoek van de Sint Katelijnevest en de Korte Nieuwstraat werd hij door een auto geplet tegen de gevel. Dood. Zijn ouders kwamen hun verdriet niet te boven en de cliënt van de taart reclammeerde bovendien omdat hij zijn gasten geen dessert kon aanbieden.”

“Zakelijk ging het nog goed in de jaren ‘20, het cliënteel was nog steeds voor een groot deel de oude bourgeoisie van Antwerpen, de ‘Verhoosels’, de ‘Haveniths’, de ‘Pareins’, de ‘Leclefs’ de ‘Leducs’ enz. Die families hadden allemaal hun oude gewoontes en wensten traditioneel gebak. Zij hadden allen meerdere kinderen wat dan weer in de vele communie- en trouwfeesten resulteerde. Vader leverde ook aan het Provinciehuis waar Leopold III mee van de ijskreem at. Ook de Jezuïeten in de Prinsstraat kregen elke zondag hun taartje.”

“Met ouder worden moest ik in de bakkerij meehelpen. Ik kreeg een fiets uit Japan die 150 Fr. kostte en kon daar de taartjes mee rondbrengen. Na het beëindigen van het lagere middelbaar in Sint Lodewijk, tekende ik een leercontract met vader en zou ik pasteibakker worden. Dat hield in dat ik twee keer per week op een namiddag naar de school moest in de Dodoenstraat en voor de rest de stiel thuis moest leren.”
“Maar stilaan was de schooltijd voor mij gedaan. Het was oorlog en de bakkerij lag praktisch stil. Wel kreeg vader van Frans Ophey uit zijn koekjesfabriek metalen vormen om beschuit te maken, maar de voeding was gerantsoeneerd en ieder moest zich leren aanpassen. Vader zijn principes waren heilig: ‘geen zwarte markt’ noch in de aankoop, noch in de verkoop. Vermits er thuis niet voldoende werk was begon ik op 1 december 1940 bij Bakkerij Hombroecks in de Lange Nieuwstraat. Werken was van 23 uur ’s avonds tot 7 uur ’s morgens en enkel op zondag vrij.”
“Inmiddels was er een V-bom in de Minderbroederstraat gevallen en was er thuis heel wat glaswerk gebroken, in hoofdzaak de koepel van de bakkerij. Een hele periode werden de werkbank en de machines nat van de regen en sneeuw. Mijn vader zat in de geniekazerne en moeder, alleen, had niet de moed de schade te herstellen. De machines werden onbruikbaar! Moeder verkocht wat brood en patisserie die zij in de Koepoortstraat bij bakker Lacante ging halen. De schade betekende het einde van de bakkerij.”